Diane leunde achterover en observeerde mijn reactie, zoals sommige mensen met een geleende film wachten op het precieze moment waarop je beseft dat je in een scène bent beland waar je geen toestemming voor hebt gegeven.
“Doe het open,” drong Michael aan toen de ober beleefd aarzelde. “Mijn moeder verdient het.”
Ik herinner me dat ik met een vreemde kalmte dacht dat het wetsvoorstel al als wapen werd ingezet, want er bestaat een bepaalde vorm van extravagantie die niets met vrijgevigheid te maken heeft, maar eerder met druk vermomd als feestelijkheid. Het is niet bedoeld om vreugde te brengen; het beoogt verplichting te creëren, dan schaamte, dan gehoorzaamheid, en het patroon is altijd hetzelfde. Eerst uitgeven, dan eisen, en doen alsof je beledigd bent als het doelwit aarzelt.
Toen de rekening eindelijk arriveerde, legde de ober die voorzichtig voor Michael neer, want hij was degene die het meest had gepraat, de meeste uitspraken had gedaan en zich als een ware gastheer had gedragen. Michael keek hem niet eens aan, en dit detail was belangrijker dan welke belediging Diane ook had kunnen uiten, want het liet zien hoe op zijn gemak hij was met wat er zou komen.
Hij schoof de rekening op tafel alsof hij me een terloops briefje overhandigde.
‘U betaalt,’ zei hij, met de nonchalance van iemand die om zout vraagt.
Even dacht ik dat ik hem verkeerd had verstaan, want absurditeit lijkt soms een grap als je er niet op voorbereid bent dat het werkelijkheid wordt.