Het zachte geluid van voetstappen trok Arthur uit zijn mijmeringen. Eleanor liep langzaam de serre in, met een dienblad met twee porseleinen kopjes kruidenthee. Haar pas was nu langzamer, haar houding licht gebogen door de last van tachtig jaar, maar haar ogen behielden dezelfde helderheid en warmte die Arthurs hart hadden veroverd toen ze jong waren. Ze zette het dienblad voorzichtig op het tafeltje tussen de kussens van hun fauteuil en keek naar het fotoalbum dat op zijn schoot lag.
Een zachte glimlach verscheen op haar lippen toen ze de oude foto herkende. Ze ging naast hem in de fauteuil zitten en legde haar versleten hand op de zijne, net zoals ze zestig jaar eerder op die koude winteravond had gedaan. Geen van beiden voelde de behoefte om de stille kamer met overbodige woorden te vullen. In de serene stilte van de ochtend straalde hun aanraking een leven lang dankbaarheid, gedeeld doorzettingsvermogen en diepe vrede uit. Ze wisten allebei dat het geheim van hun lange reis nooit buitengewoon geluk of de afwezigheid van tegenspoed was geweest. Het was simpelweg de bewuste beslissing, die elke dag opnieuw werd genomen, om boven alles voor elkaar te kiezen, elkaars waardigheid te beschermen en hand in hand door alles heen te gaan wat de dag zou brengen. Terwijl het warme zonlicht de kamer vulde, sloot Arthur het fotoalbum, boog zich naar Eleanor toe en hield zachtjes haar hand vast, wetende dat hun verhaal een bewijs was van een liefde die de tand des tijds had doorstaan.