De laatste les in vrijgevigheid
Saleh keek naar de rat, en toen naar zijn schamele kom. Hij glimlachte een bleke glimlach die de waardigheid van zijn grijze haren toonde, en fluisterde met een schorre stem: “Kom maar, kleine vriend… niemand in deze stad voelt ons nog, behalve jij.”
Met zijn gehavende hand brokkelde Saleh een klein stukje van zijn eten af en legde het teder op de grond. Dit was niet zomaar “het voeren van een dier”; het was een heilig ritueel van menselijkheid. Op dat moment was Saleh geen dakloze man meer, maar een “koning” die aalmoezen uitdeelde in zijn verwoeste koninkrijk.